Data

Date:
08-10-2004
Country:
Belgium
Number:
2001/AR/1982
Court:
Hof van Beroep, Gent
Parties:

Keywords

APPLICATION OF CISG - BASED ON RULES OF PRIVATE INTERNATIONAL LAW REFERRING TO LAW OF A CONTRACTING STATE (ART. 1(1)(B) CISG)

OFFER – SENDING OF SAMPLES NOT CONSIDERED AS OFFER (ART. 14(1) CISG)

PROPOSAL OF SUBSTITUTION OF FABRICS - AMOUNTING TO A COUNTER-OFFER (ART. 19 (1) CISG)

SELLER’S OBLIGATION – TIME OF DELIVERY (ART. 33 CISG) – DELIVERY DATE IN BUYER’S ORDER AS SUCH NOT BINDING UPON THE SELLER

Abstract

An Italian seller and a Belgian buyer entered into a contract for the sale of textiles. The seller provided samples of its fabrics to the buyer, on the basis of which the latter determined its collection of sandals to be presented to its customers. After selecting a certain fabric, the buyer placed an order. However, the seller proposed a substitute for the ordered fabric and, shortly after that, it communicated the impossibility of delivery unless a larger quantity of fabric was ordered. After refusing both these offers, the buyer deducted its lost profits for the non-production of the sandals with the unavailable fabric from one of the invoices due to the seller. The seller claimed the complete payment of all the invoices, while the buyer counterclaimed damages for breach of contract alleging the late delivery of several fabrics and the non – delivery of the specific fabric.

As to the applicable law, the Court of Appeal held that CISG had to be applied to the dispute, since the rules of private international law (the Hague Convention of 15 June 1995) led to the application of the law of Italy, a Contracting State (Art.1(1)(b)CISG).

As to the merits, the Court of Appeal confirmed the first instance’s decision. First, it held that the seller was not in breach of its obligation to deliver the goods in time (Art. 33 CISG). The delivery date that is binding upon the seller is the date which the parties agreed upon. Therefore, the delivery date that was demanded by the buyer in its order could not, without acceptance of the seller, be binding upon the latter.

As to the non-delivery of the specific fabric, the matter concerned whether an agreement had in fact been reached under the provision of Art. 23 CISG. The Court considered that the sending of samples can not be considered as an offer under Art. 14 (1) CISG and that the actual offer was therefore made by the buyer when it placed the offer for the specific fabric. Since the seller did two counter-offers (Art. 19 (1) CISG) and the buyer refused both (Art. 18 (1) CISG), no contract had been concluded between the parties (Art. 23 CISG), and as a consequence, no contractual breach was possible. Therefore the Court concluded that whereas the buyer was not entitled to damages, the seller was entitled to the full payment of all the invoices. The Court also awarded interest on the sums due (Art. 78 CISG), calculated according to the Belgian statutory rate.

Fulltext

In de zaak van:
N.V.***, met maatschappelijke zetel te 9450 Haaltert (Heldergem)... en ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde...
appellante, hebbende als raadsman mr. ****, advocaat met kantoor te 9300 Aalst...,
tegen
S.R.L. ***, vennootschap naar Italiaans recht, met maatschappelijke zetel in Italië, ... en ingeschreven in het handelsregister te Prato (Italië)...,
geïntimeerde, hebbende als raadsman mr.****, advocaat met kantoor te 9000 Gent..., alwaar woonstkeuze gedaan wordt,
velt het Hof volgend arrest:
1.
Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2004 in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.
Bij verzoekschrift, neergelegd op 12 september 2001 ter griffie van het Hof, heeft appellante tijdig en regelmatig naar vorm hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 10 juli 2001, op tegenspraak gewezen door de vakantiekamer van de Rechtbank van Koophandel te Oudenaarde (AR. 44/97). Een exploot van betekening ligt niet voor.
Feiten en procedure in eerste aanleg
2.
Tussen partijen bestond een handelsrelatie, waarbij de NV *** als pantoffelfabrikant (hierna genoemd: appellante) stoffen aankocht bij de vennootschap naar Italiaans recht SRL *** als stoffenproducent (hierna genoemd: geïntimeerde).
Geïntimeerde maakte stalen van haar stoffen over aan appellante, op basis waarvan deze laatste haar collectie pantoffels bepaalde en presenteerde aan haar klanten. Naargelang van de bestellingen van haar klanten, bestelde appellante vervolgens de nodige hoeveelheden stoffen bij geïntimeerde. Op 28/11/94 en 07/12/94 bestelde appellante bij geïntimeerde stalen voor de wintercollectie 1995-1996.
Bij fax van 30/03/95 werd een eerste bestelling stoffen geplaatst, waarbij appellante vroeg om te leveren voor eind april 1995. Bij fax van 05/04/95 antwoordde geïntimeerde dat deze leveringsdatum niet zou worden gehaald en stuurde een orderbevestiging. Bij fax van 13/04/95 bevestigde geïntimeerde dat de stoffen zouden geleverd worden op 10/05/95. Op 05/05/95 werden de stoffen geleverd en gefactureerd door geïntimeerde bij factuur F.581 voor 17.887.080 It. Lire.
Bij fax van 20/04/95 plaatste appellante een tweede bestelling stoffen o.a. 100 meter stof "Kabul", met verzoek tot spoedige levering, zeker voor eind mei 1995. Bij fax van 21/04/95 deelde geïntimeerde de prijzen van de bestelde stoffen mede en stelde een alternatief voor de "Kabul" stof voor, nl. "Lima". Ze stuurde een orderbevestiging, behalve van de stof "Kabul". Bij fax van 03/05/95 stelde appellante dat haar klanten hun bestellingen hadden geplaatst op basis van het "Kabul" staal. Bij fax van 12/05/95 deelde geïntimeerde mede dat de stoffen niet zouden worden geleverd voor 15 juni 1995.
Bij fax van 16/05/95 plaatste appellante bij geïntimeerde een derde bestelling. Appellante drong aan opdat geïntimeerde 100 meter stof "Kabul" zou produceren. Geïntimeerde antwoordde dat dit onmogelijk was gezien de bestelling minstens 1000 meter moest bedragen om de produktie van deze stof op te starten. Bij fax van 24/05/95 stelde geïntimeerde dat bepaalde stoffen pas konden geleverd worden eind juni/begin juli 1995.
Appellante klaagde over de leveringstermijn en bij fax van 06/06/95 stelde ze geïntimeerde in gebreke om de stoffen te leveren voor 07/07/95. Op 09/06/95 werden een aantal stoffen geleverd door geïntimeerde en gefactureerd bij F.759 van 09/06/95 voor 8.865.235 It. Lire.
Op 16/06/95 stelde appellante geïntimeerde in gebreke omtrent de stof "Kabul" en stelde dat haar klanten 1.036 paar pantoffels in "Kabul" hadden besteld. Appellante becijferde haar winstderving bij niet-levering op 238.280 BEF. Geïntimeerde repliceerde op 29/06/95 dat ze al in december 1994 had gewaarschuwd dat de stof "Kabul" géén deel meer uitmaakte van haar collectie en slechts terug in produktie kon worden genomen mits bestelling van min.1000 meter. Partijen bereikten geen akkoord.
Na diverse aanmaningen tot betaling van de openstaande facturen, bevestigde appellante op 12/09/95 dat ze F.759 had betaald, terwijl ze op F.581 de door haar geleden winstderving ingevolge de niet-produktie van de stof "Kabul" zou aftrekken. Ze betaalde op 12110/95 de som van 5.320.006 It. Lire op F.581, waartegen geïntimeerde protesteerde.
3.
Bij dagvaarding, betekend op 8 januari 1997, vorderde geïntimeerde betaling lastens appellante van 12.567.074 It. Lire, aan de tegenwaarde in Belgische frank aan de hoogste wisselkoers op datum van betaling, als saldo op F.581 van 5 mei 1995, méér 36.721 BEF nalatigheidsrente vanaf 05/06/95 tot dagvaarding, méér de gerechtelijke rente en de gedingkosten.
Appellante betwistte de vordering met klem. Bij tegeneis vorderde ze betaling lastens geïntimeerde van 348.510 BEF schadevergoeding ingevolge contractuele wanprestatie door geïntimeerde, méér de wettelijke rente vanaf 20/06/95, méér de gerechtelijke rente, méér de gedingkosten.
Bij tussenvonnis van 22 juni 1999 heropende de Eerste Rechter ambtshalve de debatten om partijen toe te laten te besluiten over de toepasselijke wetgeving en de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeien.
Bij eindvonnis a quo van 10 juli 2001 verklaarde de Eerste Rechter:
- de hoofdeis ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellante tot betaling aan geïntimeerde van 12.567.074 It. Lire, aan de tegenwaarde in Belgische frank aan de hoogste wisselkoers op datum van betaling, als saldo op F.581 van 5 mei 1995, méér de wettelijke verwijlrente vanaf 05/06/95 tot dagvaarding, méér de gerechtelijke rente, méér de gedingkosten;
- de tegeneis ontvankelijk, doch ongegrond.
Procedure in hoger beroep
4.
Het hoger beroep werd ingesteld door de oorspronkelijke verweerster, de NV ***.
Partijen betwisten niet langer de bevoegdheid van de Eerste Rechter, noch de toepasselijke wet volgens het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955, nl. het Italiaans recht.
Het Weens Koopverdrag van 11 april 1980 behoort tot het Italiaans materieel recht sinds 1 januari 1988 en is dus van toepassing op de betwiste koopovereenkomsten tussen partijen van maart, april en mei 1995.
Appellante stelt dat geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan contractuele wanprestatie door (1) laattijdige leveringen en (2) het niet leveren van de stof "Kabul". Ondergeschikt wordt de rente betwist. Ze volhardt in haar oorspronkelijke tegeneis.
Geïntimeerde vraagt bevestiging van het vonnis a quo.
Beoordeling
5. De beweerde laattijdige leveringen
Art.33 van het Weens Koopverdrag voorziet dat, indien de koopovereenkomst of een later akkoord van partijen de datum voor de aflevering heeft bepaald, hetzij uitdrukkelijk, hetzij bij verwijzing naar een bepaalde gebeurtenis, die datum bindend is voor de verkoper. Het gaat om een datum die tussen partijen werd overeengekomen en niet de door een koper op de bestelbon gevraagde leveringsdatum.
5.1 Inzake de bestelling nr. 21463 van 30/03/95 had appellante bij fax van 05/04/95 gevraagd om te leveren uiterlijk april 1995 (...). Geïntimeerde heeft dadelijk geantwoord dat het bijna onmogelijk zou zijn om te leveren voor eind apri1 1995 (...).
In een fax van 13/04/95 heeft geïntimeerde vervolgens bevestigd dat de bestelling zou worden geleverd op 10/05/95 (...). Hierop heeft appellante niet meer gereageerd, wat laat aannemen dat ze akkoord was met de vooropgestelde leveringsdatum.
Finaal werd er geleverd op 05/05/95 (...).
5.2. Inzake de bestelling nr. 21713 van 20/04/95 had appellante gevraagd om zo spoedig mogelijk te leveren en zeker voor eind mei 1995 (...). Geïntimeerde heeft bij fax van 12/05/95 geantwoord dat ze niet zou kunnen leveren voor 15/06/95 (...).
Bij fax van 24/05/95 deelde geïntimeerde mede dat twee artikelen uit de bestelling slechts zouden kunnen geleverd worden eind juni 1995/begin juli 1995 en de overige artikelen half juni 1995 (....). Appellante antwoordde levering te wensen uiterlijk half juni 1995, bij gebreke waarvan ze de levering niet zou aanvaarden (...).
Appellante heeft bij fax van 06/06/95 gesteld dat de bestelde goederen voor 07/07/95 in haar bezit moesten zijn (stuk 16 appellante/stuk 19 geïntimeerde). Deze bestelling werd deels geleverd op 09/06/95 en de rest werd geleverd de eerste week van juli 1995.
5.3 Inzake de bestelling nr. 22105 van 16/05/95 stelde appellante in haar bestelbriefgéén leveringstermijn voorop (...). Deze bestelling werd geleverd op 09/06/95.
5.4 De bestellingen nrs. 21463 en 22105 werden geleverd binnen de voorgestelde data en zelfs vroeger dan voorzien.
Bij haar fax van 06/06/95 heeft appellante zich uitdrukkelijk akkoord verklaard inzake bestelling nr. 21713 met het door geïntimeerde vooropgestelde uitstel van leveringsdatum tot 07/07/95 voor twee artikels van de bestelling (...). Er werd tussen partijen een nieuwe leveringsdatum overeengekomen.
Er kan dan ook geen sprake zijn van laattijdige leveringen.
6. Het niet leveren van de stof "Kabul"
Volgende artikelen van het Weens Koopverdrag zijn in casu relevant:
- Artikel 14,1° stelt dat een voorstel tot het sluiten van een overeenkomst, gericht tot één of meer bepaalde personen, een aanbod vormt indien het voldoende bepaald is en daaruit de wil blijkt van de aanbieder om in geval van aanvaarding, gebonden te zijn. Een voorstel is voldoende bepaald indien daarin de zaken worden aangeduid en de hoeveelheid en de prijs uitdrukkelijk of stilzwijgend worden vastgesteld ofbepaalbaar zijn.
- Artikel 18,1° bepaalt dat een verklaring afgelegd door of een andere gedraging van de wederpartij, waaruit de instemming met een aanbod blijkt, een aanvaarding is.
- Artikel 19,1° stelt dat een antwoord op een aanbod dat tot aanvaarding strekt, wanneer dit aanvullingen, beperkingen of andere wijzigingen bevat, geldt als verwerping van het aanbod en een tegenaanbod vormt.
- Artikel 23 bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt op het tijdstip waarop de aanvaarding van het aanbod van kracht wordt.
Appellante argumenteert dat ze in december 1994 op een internationale beurs een staal van 5 meter stof "Kabul" heeft besteld, wat door geïntimeerde werd geleverd en dit zonder voorbehoud m.b.t. de productie van deze stof (stukken 1-2-2bis appellante). Het toesturen van stalen kan echter niet aanzien worden als een aanbod. Er was toen niets vastgelegd o.a. welke hoeveelheid stof "Kabul" appellante eventueel zou bestellen.
Wel heeft appellante een aanbod gedaan (in de zin van art. 14,1° Weens Koopverdrag) om 100 meter stof "Kabul" aan te kopen bij fax van 20/04/95 (...).
Op 21/04/95 heeft geïntimeerde echter een wijziging voorgesteld (in de zin van art. 19,1° Weens Koopverdrag) om de stof "Lima" als alternatief te leveren (...). Dit tegenaanbod werd door appellante niet aanvaard (...).
Bij brief van 16/05/95 stelde geïntimeerde dan ook expliciet dat ze de bestelling van de stof "Kabul" niet kon bevestigen (...).
Ook deed ze een ander tegenaanbod om de produktie van de stof "Kabul" te starten nl. dat er min. 1000 meter werd besteld (...). Ook dit tegenaanbod werd door appellante afgewezen.
In tegenstelling tot wat appellante stelt, is er tussen partijen géén overeenkomst tot stand gekomen i.v.m. de stof "Kabul". Er kan dan ook geen sprake zijn van een contractuele wanprestatie. Appellante is dus niet gerechtigd om 5.906,81 EUR ten titel van schadevergoeding te compenseren, dit voor het beweerde verlies wegens het niet kunnen produceren van de "Kabul" pantoffels.
7.
Terecht heeft de Eerste Rechter bijgevolg geoordeeld dat het saldo op factuur F.581 van 5 mei 1995 nog verschuldigd was, alsook de rente vanaf de vervaldag van de factuur en aan de Belgische wettelijke rentevoet.
Gelet op bovenstaande beoordeling (geen contractuele fout van geïntimeerde), is de oorspronkelijke tegeneis ongegrond. Enig causaal verband tussen enerzijds de annulaties van de bestellingen van *** en *** bij appellante (...) of de economische werkloosheid bij appellante (...) en anderzijds huidige zaak, wordt daarenboven niet aangetoond.
Het hoger beroep is integraal ongegrond.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak;
Gelet op art. 24 van de wet van 15juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond;
Bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van geïntimeerde op 466,04 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
(...)}}

Source

Published in Dutch:
- Available at CISG-Belgium database of Katholieke Universiteit Leuven http://www.law.kuleuven.ac.be

English translation:
- Available at CISG database of Pace University http://cisgw3.law.pace.edu/}}