Keywords
Abstract
FullText
Sources
Print
Close
FullText
Date: 23.05.2001
Country: Belgium
Number: 1999A/2160
Court: Hof van Beroep, Gent
Parties: Hoechst Trevira GmbH & Co KG v. N.V. Recospin
Citation: http://www.unilex.info/case.cfm?id=778
De vennootschap naar Duits recht HOECHST TREVIRA CmbH Rr Co KC._, met zetel gevestigd in Duitsland, 65926 Frankfurt Am Main, ingeschreven in het handelsregister van Frankfurt Am Main onder het nummer Abt. B 14500,
APPELLANTE,
hebbende als raadsman Meester Marc Willemart, advokaat te 1060 Brussel, Zwitserlandstraat 29,

tegen

N.V. RFCOSPIN, met zetel gevestigd te 8940 Wervik, Hoogweg 54, ingeschreven in het handelsregister te leper onder nummer 31.427,
GEÏNTIMEERDE, hebbende als raadsman Meester Godfried Duchi, advokaat te 8500 Kortrijk, Doorniksesteenweg 135,

velt het Hof het volgend arrest:

Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten ter openbare terechtzitting en de stukken werden ingezien.
Appellante heeft tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis gewezen op 27 september 1999 door de rechtbank van koophandel te leper.

PROCEDURELE EN FEITELIJKE VOORAFGAANDEN
Met dagvaarding van 17 april 1997 vordert de vennootschap naar Duits recht "HOECHST TREVIRA GmbH & Co KG", appellante, de veroordeling van de NV Recospin, geiintimeerde, tot betaling van 1.508.154 fr., meer de conventionele intresten ad 10% op de hoofdsom van 1.208.775 fr. vanaf 1 april 1998 tot en met de dagvaardingsdatum en van dan of de gerechtelijke intresten, telkenmale aan de conventionele rentevoet van 10%.
Deze hoofdvordering is gestoeld op levering van vezels, neergelegd in factuur nr. FC-6-36910 d.d. 7 juli 1995 ad 1.208.775 fr., meer intresten ad 10% vanaf vervaldag 8.10.95 tot en met 31.03.98 299.379 fr.
1.508.154 fr.
Voor de eerste rechter vraagt de NV Recospin de afwijzing van de hoofdvordering als onontvankelijk en ongegrond.
Meteen wordt een tegenvordering geformuleerd tot veroordeling van de wederpartij tot betaling van 1.340.000 fr. en 278.499 fr. in hoofdsom, meer de moratoire intresten vanaf de ingebrekestelling dal. 18 oktober 1996 meer de gerechtelijke intresten.
De som van 278.499 fr. is neergelegd in een debetnota van 31 augustus 95 respectievelijk 1.340.000 fr. in een debetnota van 18 oktober 1996.
Hiervan houdt de NV Recospin voor dat deze gestoeld zijn op schade die zij geleden heeft ten gevolge van gebrekkige goederen.
Appellante wijst de aanspraken van geïntimeerde af en vordert de toekenning van haar hoofdvordering.

HET BESTREDEN VONNIS

Met vonnis d.d. 27 september 1999 stelt de eerste rechter in eerste orde vast dat er geen bewijs van dading voorligt.
Hij overweegt verder dat er hoe dan ook technische moeilijkheden zijn geweest bij de vezels en/of de verwerking ervan.
Aldus stelt de eerste rechter een deskundige aan met de opdracht:
“1. De vezels door eiseres (appellante) aan verweerster (geïntimeerde) geleverd op 13 juni 1994, 24 januari 1995, 19 juni 1995 en 7 juli 1995 te beschrijven.
2. De bewerking, die deze vezels na de levering hebben ondergaan, te beschrijven, alsook de data van de bewerking na te gaan.
3. Na te gaan wat er door eiseres werd gedaan met de teruggenomen vezels, voorwerp van de levering.
4. Het resultaat van deze levering en de bewerking te beschrijven.
5. Advies te geven nopens de kwaliteit en/of de gebreken van de vezels zelf en/of van de bewerking ervan, de oorzaak van de eventuele gebreken te beschrijven en advies te geven over de vraag of deze eventuele gebreken de vezels ongeschikt maken voor het doel waarvoor zij werden aangekocht.
6. Alle nuttige en dienstige vragen van partijen te beantwoorden en de eventuele verzoening tussen partijen te bewerkstelligen.”

GRIEVEN EN STANDPUNT DER PARTIJEN
Appellante poneert dat de eerste rechter hoe dan ook haar hoofdvordering had dienen toe te kennen, gezien deze gesteund is op een protestloos aanvaarde levering, terwijl de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde betwist was.
Wat betreft de debetnota van 278.499 fr. d.d. 31 augustus 1995, die stoelt op vezels die waren geleverd op 13 juni 1994, houdt appellante voor dat geïntimeerde bezwaarlijk bij haar protest de door art. 39, 1) van het Weense Koopverdrag opgelegde "redelijke termijn" in acht heeft genomen.
Anderzijds wijst appellante erop dat de korte termijn die wordt opgelegd, ook ingegeven is door bewijsmotieven.
Het bestreden vonnis dateert van 5 jaar na de verwerking en verkoop, zodat een deskundige volgens haar geen enkele nuttige vaststelling meer kan doen.
Wat betreft de debetnota van 1.340.000 fr. dal. 18 oktober 1996, die stoelt op vezels die waren geleverd op 24 januari 1995, erkent appellante dat geïntimeerde binnen een redelijke termijn haar in kennis heeft gesteld van de problemen.
Appellante wijst er echter op dat geïntimeerde in gebreke blijft enig bewijs van niet-conforme levering voor te leggen.
Aldaar werpt zij eveneens op dat er veel te veel tijd is verloren gegaan, waardoor een deskundige niet meer nuttige vaststellingen kan doen.
Aldus vordert appellante de vernietiging van het bestreden vonnis, de toekenning van haar oorspronkelijke hoofdvordering en de afwijzing van de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde als "onontvankelijk en ongegrond".
Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.
Zij wijst tevens op art. 1068 Ger.W. waaruit volgt dat, zelfs indien er een slechts gedeeltelijke bevestiging van de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel volgt, de beroepsrechter de zaak dient terug te wijzen naar de eerste rechter.

BEOORDELING
I.
Tot beoordeling van de overeenkomsten die aan de basis liggen van de betwistingen is het Weense Koopverdrag van 11 april 1980 van toepassing.
Appellante, verkoper, heeft haar zetel in Duitsland terwijl geïntimeerde, koper, haar zetel in België heeft.
De overeenkomsten betreffen internationale commerciële koopovereenkomsten, die tot stand zijn gekomen in de periode 1994-1995.
Ingeval van betwisting inzake internationale koop van roerende lichamelijke goederen in commercieel verband daterende van voor 19 februari 1999, wordt de lex contractus vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 (goedgekeurd bij wet van 21 september 1962, B.S., 29 september 1964). Dit verdrag geldt voor België zonder verdragswederkerigheid tegenover welk ander land dan ook.
Volgens artikel 2 van het voormelde Verdrag van Den Haag, wordt de koop "beheerst door de interne wet van het door de contracterende partijen aangewezen land".
In casu dient vastgesteld te worden dat er niet kan achterhaald worden welke de wilsovereenstemming tussen de partijen is geweest nopens het toepasselijke recht. De aanwijzing dient te geschieden bij uitdrukkelijk beding of ontwijfelbaar voortvloeien uit de bepalingen van de overeenkomst.
Bij gebreke van dergelijk aangewezen recht bepaalt art. 3 van het voormeld verdrag, dat de koopovereenkomst wordt beheerst door de interne wet van het land, waar de verkoper zijn gewoon verblijf heeft op het ogenblik dat hij het order ontvangt.
In casu komt een en ander neer op de toepassing van het Duitse recht.
Gezien de aard van de betwisting en de vaststelling dat de overeenkomst dateert van na 1 januari 1991, is het Weense Koopverdrag voormeld van toepassing.

II.
A.
Drie leveringen van vezels door appellante aan geïntimeerde staan in betwisting.
Een eerste levering d.d. 13 juni 1994, waaromtrent geïntimeerde uiteindelijk op 31 augustus 1995 een debetnota heeft opgesteld lastens appellante voor het bedrag van 278.499 fr., voorwerp van de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde.
Een tweede levering d.d. 24 januari 1995 die voor geïntimeerde eveneens aanleiding was voor de opstelling van een debetnota lastens appellante voor het bedrag van 1.340.000 fr. gedateerd op 18 oktober 1996, eveneens voorwerp van de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde.
Tenslotte een derde levering van 7 juli 1995, waarvan de factuur het voorwerp uitmaakt van de oorspronkelijke hoofdvordering van appellante.
Een levering van 19 juni 1995 is in onderling akkoord tussen partijen teruggenomen en maakt als dusdanig niet het voorwerp uit van betwisting in rechte.
Ten onrechte heeft de eerste rechter een deskundige aangesteld met betrekking tot deze levering van 19 juni 1995.
Geïntimeerde laat vaag verstaan dat er een dading zou zijn tot stand gekomen.
Hiervan ligt niets voor.
Met schrijven d.d. 22 april 1997 verwijst appellante naar regelingen in der minne (“Kulanzregelungen”), waarvan in dezelfde adem door appellante wordt bevestigd dat deze niet zijn aanvaard geworden door geïntimeerde.
Uit pogingen tot regelingen in der minne kunnen geen conclusies worden getrokken noch ten aanzien van wie de voorstellen formuleert noch ten aanzien van wie de voorstellen heeft verworpen.

B.
De eerste levering vezels daterende van 13 juni 1994, is door (of voor) geïntimeerde gesponnen geworden in de periode van 18 tot 30 augustus 1994 (zie stuk nr. 2, dossier geïntimeerde faxschrijven "Spinnerij AVS" (blijkbaar een zusterfirma van geïntimeerde) aan NV Hoechst Belgium d.d. 22 februari 1995, tweede bladzijde).
Met schrijven dal. 3 februari 1995 meldt geïntimeerde dat een klant zijn ongenoegen uit nopens "het ongelijkmatig aanverven van garen" dat uit voormelde eerste levering is gesponnen geworden. Er worden garenstrengen aan appellante gestuurd ter controle.
Met schrijven d.d. 6 juni 1995 wijst de NV Hoechst Benelus Industrie elke verantwoordelijkheid of (stuk nr. 7, dossier geïntimeerde)
De NV Spinnerij AVS vraagt "kopie van het onderzoeksrapport" (brief d.d. 9 juni 1995 en faxbrief d.d. 21 juni 1995: stukken nrs. 8 en 9, dossier geïntimeerde).
Appellante houdt voor hierop enkele malen mondeling te hebben medegedeeld dat er geen onderzoeksrapport voorhanden was.
Het komt evenwel eigenaardig voor dat, hoewel zij tweemaal schriftelijk om een rapport werd gevraagd, zij hierop nooit schriftelijk heeft geantwoord.
Met fax d.d. 18 juli 1995 gericht door geïntimeerde aan haar eigen klant, de NV Clama, met kopie aan de NV Hoechst Belgium (stuk nr. 14, dossier geïntimeerde), deelt geïntimeerde volgende mee:
“Gezien het antwoord van Hoechst i v.m. barrage uitblijft, wordt overeengekomen het gebarreerde garen aan Hoechst te factureren, nl. (...) 278.499 fr.
Dit garen staat ter beschikking van NV Hoechst. Er wordt eerstdaags een debetnota opgestuurd.”
Geïntimeerde stelt op 31 augustus 1995 een debetnota op ad 278.499 fr. met onder meer de mededeling dat de debetnota de teruggave van slecht garen betreft zoals afgesproken met de heer W. Himpe (vrije vertaling van: “Ruckgabe schlechtes Garn wie abgesprochen mit Herrn W. Himpe”).
Er zij vastgesteld, zoals geïntimeerde terecht aanmerkt, dat appellante hierop niet heeft gereageerd.
Het is juist dat een debetnota voor schade geen factuur is waarop art. 25 van het Wetboek van Koophandel kan worden toegepast.
Evenwel kan niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat er op geen enkel naspeurbare wijze is gereageerd geworden door appellante op de toch wel zeer duidelijke vermelding op de debetnota dat deze is opgesteld "zoals afgesproken met de heer W. Himpe".
Er zij desbetreffend aangemerkt dat W. Himpe de voortdurende contactpersoon is bij de NV Hoechst Belgium (c.q. Hoechst Benelux Industrie) duidelijk optredend voor appellante.
Wanneer een dergelijk duidelijke bevestiging met een expliciete aanspraak wordt gestuurd naar de wederpartij - in de (Duitse) taal van de geadresseerde - dan dient, ook naar internationale normen in de commerciële wereld, de bestemmeling geacht te worden het hiermee eens te zijn, wanneer hij desbetreffend geen enkele reactie, laat staan enig gemotiveerde reactie laat kennen.
In deze omstandigheden is de aanmerking vanwege appellante dat er met toepassing van art. 39, 1) van het Verdrag van Wenen veel te lang is gewacht door geïntimeerde om te protesteren, irrelevant, gezien de hierboven vastgestelde instemming vanwege appellante met de concrete aanspraak van geïntimeerde.
Om dezelfde reden dient evenmin op de vraag vanwege geïntimeerde tot aanstelling van een deskundige te worden ingegaan.
De oorspronkelijke tegenvordering is aldus gegrond ten belope van 278.499 fr. als hoofdsom.

C.
a.
De levering van 24 januari 1995 is verwerkt geworden in de loop van februari 1995 en op 22 februari 1995 heeft de "Spinnerij AVS" klacht geformuleerd (stuk nr. 2, dossier geïntimeerde).
In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt, is voldoende aangetoond dat appellante heeft gereageerd, met name met haar fax dal. 9 maart 1995 gericht aan NV Hoechst Belgium, document dat zich precies in het dossier van geïntimeerde bevindt onder stuk nr. 3.
Hierin en hieruit kan worden opgemaakt dat appellante haar verantwoordelijkheid afwijst en aanmerkingen formuleert nopens de aangewende "rotoren" bij de verwerking van de vezels.
Bij een daaropvolgend spinnen van 3 ton is een techniekervertegenwoordiger van appellante, de heer Fernandez, aanwezig.
Met schrijven d.d. 6 juni 1995 wordt door de NV Hoechst Benelux Industrie (stuk nr. 7, dossier geïntimeerde) elke verantwoordelijkheid afgewezen.
Met fax d.d. 21 juni 1995 stelt de "Spinnerij AVS" voor "het schadegeval Clama ter waarde van 1.300.000 fr." te verdelen tussen appellante en de spinnerij.
Hierop reageert appellante blijkbaar niet.
Terwijl geïntimeerde een kredietnota opstelt op 24 augustus 1995 ten voordele van haar klant, de NV Clama, voor 1.340.000 fr. excl. BTW, stelt zij ditmaal geen debetnota op lastens appellante, tenzij pas op 18 oktober 1996, d.w.z. na factuur voor de derde levering dal. 7 juli 1995 (voorwerp oorspronkelijke hoofdvordering) en na de aanmaningen tot betaling ervan d.d. 2 juli en 31 juli 1996 (stukken nrs. 34 en 35, dossier appellante).

b.
In dit kader zij erop gewezen dat het feit dat appellante reeds vroeger had geleverd in 1993 niet met zich meebrengt dat zij dient geacht te worden de productiemethodes van geïntimeerde te kennen m.b.t. een levering van twee jaar later en desbetreffend enige verantwoordelijkheid zou moeten dragen.
Waar geïntimeerde weliswaar tijdig klachten heeft geformuleerd, zij er anderzijds vastgesteld dat appellante eveneens diligent heeft gereageerd met afwijzing van haar verantwoordelijkheid.
Op 21 juni 1995 is er een voorstel geformuleerd tot het verdelen van het "schadegeval Clama".
Waar appellante op dit voorstel niet heeft gereageerd, zij reeds voordien elke verantwoordelijkheid had afgewezen en er bijgevolg geen enkele overeenkomst - met stilzwijgend, laat staan expliciet voorhanden was, had geïntimeerde het nodige dienen te doen om zo snel als mogelijk bij tegenstelbare expertise de verantwoordelijkheden en de gevolgen vast te leggen.
Immers het is aan de koper om de gebeurlijke non-conformiteit aan te tonen (zie S.De Groot, Non﷓conformiteit volgens het Weens Koopverdrag, T.P.R., 1999, blz. 635 e.v., meer bepaald nr. 2.4, blz. 650﷓651 en aldaar vermelde rechtspraak).
Appellante dient volledig gevolgd te worden in haar stelling dat er enkele j aren na de verwerking, geen enkele nuttige expertise kan geschieden.
Thans, meer dan zes jaar na de verwerking van de vezels, klemt een en ander des te meer.
Het valt overigens op dat geïntimeerde, na haar schrijven dal. 21 juni 1995 met voorstel tot verdeling van het "schadegeval Clama", desbetreffend ten aanzien van appellante niets meer heeft laten weten en pas na in gebreke te zijn gesteld tot betaling van de factuur d.d. 7 juli 1995 met brieven d.d. 2 en 31 juli 1996 een debetnota heeft gestuurd op 18 oktober 1996.
Een en ander is wel zeer opvallend laat.
Evenzo valt op dat geïntimeerde een drietal jaar vasthoudt aan haar "nietsdoen": zij wordt gedagvaard op 17 april 1998 en formuleert pas na procedure op grond van art. 751 Ger. W. een tegenvordering met besluiten neergelegd op 15 september 1998.
Indien de schade voor geïntimeerde zo hoog zou zijn geweest als zij voorhoudt in haar oorspronkelijke tegenvordering, dan is het buiten elke redelijkheid dat zij niet de nodige initiatieven heeft genomen tot vaststelling van enerzijds de beweerde gebreken en de toerekenbaarheid ervan aan appellante en anderzijds de schade ten gevolge van de vastgestelde gebreken.
Niet alleen heeft geïntimeerde door haar volgehouden stilzitten zichzelf de bewijsmogelijkheid via een expertise onmogelijk gemaakt, doch zij heeft bovendien door haar houding elk begin van geloofwaardigheid aan haar beweringen van gebreken en schade ten gevolge van de wanprestatie van appellante, ontnomen.
In deze omstandigheden dringt zich de conclusie op dat de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde m.b.t. de hoofdsom van 1.340.000 fr. van meet of aan dient te worden afgewezen.

D.
Wat de factuur d.d. 7 juli 1995 ad 1.208.775 fr. betreft, er zij vastgesteld dat de NV Recospin met haar faxschrijven dal. 25 augustus 1995 expliciet bevestigd heeft dat de levering zeer goed was (zie stuk nr. 32, dossier appellante).
Er is dan ook geen enkele grond om de factuur d.d. 7 juli 1995 niet
toe te kennen.
Uit de stukken, meer bepaald de "algemene inkoop- en verkoopbedingen": “Algemeine Einkaufs-und Verkaufsbedingungen” stuk nr. 33, dossier appellante), blijkt niet dat er een conventionele rentevoet van 10% was overeengekomen. Enig ander stuk dat de conventionele grondslag voor dergelijke rentevoet zou kunnen uitmaken, wordt niet voorgelegd.
In deze omstandigheden wordt een intrestvergoeding gelijk aan de Belgische wettelijke rentevoet toegekend vanaf de eerste naspeurbare ingebrekestelling nl. 2 juli 1996. Een intrestvergoeding vanaf een vroegere datum is niet te verantwoorden, daar geïntimeerde voor een gedeelte - nl. 278.499fr. - terecht een aftrek heeft gevraagd.

III.
De definitieve afrekening dient zich aan als volgt:
- oorspronkelijke hoofdvordering, hoofdsom 1.208.775 fr.
- oorspronkelijke tegenvordering, hoofdsom ﷓ 278.499 fr.
930.276 fr.,
meer de moratoire intresten vanaf 2 juli 1996.

OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak
Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
Verklaart het beroep ontvankelijk en in grote mate gegrond;
Vernietigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen;
De gehele zaak tot zich trekkende en recht doende:
Verklaart de oorspronkelijke hoofd- en tegenvorderingen ontvankelijk en beide gedeeltelijk gegrond;
Eromtrent compensatie toepassend;
Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van 930.276 fr. (negenhonderddertigduizend tweehonderdzesenzeventig frank) meer de moratoire intresten vanaf 2 juli 1996 tot en met 17 april 1998 en van dan of de gerechtelijke intresten, telkenmale aan de wettelijke rentevoet;
Veroordeelt appellante tot een vijfde en geïntimeerde tot vier vijfden van alle gerechtskosten, vastgesteld aan de zijde van appellante op 9.765 fr. dagvaarding en rolstelling, 12.600 fr. rechtsplegingsvergoeding procedure eerste aanleg en 7.500 fr. rolrecht beroepsakte en 17.200 fr. rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure en aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op 12.600 fr. rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 17.200 fr. rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure.