Keywords
Abstract
FullText
Sources
Print
Close
FullText
Date: 16.07.1992
Country: Netherlands
Number: 550/92 SKG
Court: Gerechtshof's Amsterdam
Parties: Box Doccia Megius v. Wilux International BV
Citation: http://www.unilex.info/case.cfm?id=35
[...]

1. Het geding in beroep

1.1 Bij exploit van 29 april 1992 is principaal appellante Megius - onder aanvoering van zes grieven in hoger beroep gekomen van het door de president van de arrondissementsrecht bank te Utrecht onder rolnummer KG 04.21.223/92 tussen partijen gewezen en op 16 april 1992 uitgesproken vonnis, met dagvaar ding van principaal geïntimeerde - Wilux - voor dit hof tenein de te horen concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Wilux alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering althans haar deze zal ontzeggen met veroordeling van Wilux in de kosten van beide instanties.

1.2 Bij memorie concludeerde zij overeenkomstig de appèldag vaarding.

1.3 Wilux bestreed bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appèl en acte houdende vermeerdering van eis de aangevoerde grieven, kwam harerzijds onder aanvoering van één grief incidenteel van het vonnis in hoger beroep, vermeerderde haar eis en concludeerde dat het hof bij arrest, volledig uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van Megius zal verwerpen, dat vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Megius zal bevelen om de door haar ten laste van Wilux buiten Nederland gelegde conservatoire beslagen binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen arrest op te heffen op straffe van een dwangsom van 100.000,- per dag of gedeelte van een dag dat Megius in gebreke blijft aan dat bevel te voldoen, Megius zal veroordelen om vanaf twee dagen na de betekening van het te dezen te wijzen arrest haar verplichtin gen uit de overeenkomst met Wilux onverkort na te komen totdat de overeenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, op verbeurte van een dwangsom van ( 100.000,- - 5.000,- is) 95.000,- voor elke maal dat zij enige verplichting, voortvloeiend uit de overeenkomst (het hof leest: niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt) en van (f.10.000,- - 1.000,- is) f.9.000,- voor elke dag dat dit niet, niet volledig of niet naar behoren nakomen voortduurt, dat vonnis voor het overige zal bekrachti gen met veroordeling van Megius in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader mondeling door hun raadslieden aan de hand van nadien overgelegde pleit notities doen toelichten. Bij die gelegenheid zijn door beide partijen producties in het geding gebracht.

1.5 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties, waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.
2. De grieven

De grieven luiden:

In het principaal appèl

Grief I

Ten onrechte overweegt de president:

'Nu de bevoegdheid van de rechter dient te worden beoordeeld naar de grondslag van de vordering, leidt artikel 5 aanhef en onder 1 EEX tot de bevoegdheid van de rechter, in casu de president van de rechtbank te Utrecht. Van belang is hierbij (1) dat naar Nederlands internationaal privaatrecht een rechtsverhouding als die welke door Wilux is gesteld, wordt beheerst door Nederlands recht, nu zij zulke nauwe banden met de Nederlandse rechtssfeer heeft en partijen geen andere rechtskeuze hebben gemaakt, en (2) dat de vestigingsplaats van Wilux, zijnde Woerden, dat gelegen is in het arrondissement Utrecht, kan worden aangemerkt als plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd en moet worden uitgevoerd.'

Grief II

De president constateert voorts ten onrechte dat naar Neder lands internationaal privaatrecht een rechtsverhouding zoals door Wilux gesteld zou leiden tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

Grief III

Indien en voorzover Nederlands recht dient te worden toegepast, is Megius van mening dat de president ten onrechte heeft geoor deeld dat:

'Wilux heeft dienaangaande gesteld, dat zij in de periode na 10 januari 1992 haar bereidheid om het verschuldigde te voldoen afhankelijk heeft gesteld van zekere - door Megius niet gegeven - garanties betreffende het voortduren van de exclusieve relatie tussen partijen. Deze voorwaarde moet in de gegeven omstandigheden als voorshands niet onredelijk worden aangemerkt, gelet op

1. het feit dat Megius inderdaad al aanstonds de voortzetting van die relatie tot inzet van het debat maakte en

2. de (in dit kort geding aannemelijk geachte) werkelijke aard van de rechtsverhou-ding van partijen.'

Grief IV

Ten aanzien van de exclusiviteit overweegt de president ten onrechte:

'Ofschoon exclusiviteit niet uitdrukkelijk is overeengekomen, was de relatie tussen partijen zodanig en is zij in elk geval geleidelijk aan zodanig geworden dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeide dat het Megius niet meer vrijstond haar producten in het hierbedoelde deel van Europa te doen verkopen buiten Wilux om. Deze voorlopige conclusie berust in het bijzonder op de volgende feiten, tezamen en in onderling verband bezien:

- de duur van de relatie tijdens welke Megius voor dit deel van Europa de facto nooit aan een ander dan Wilux heeft geleverd;

- de aanzienlijke inspanningen en investeringen die Wilux zich uiteraard mede in haar eigen belang, heeft getroost om de verkoop van de producten van Megius op dit deel van de Europese markt te bevorderen, in welk verband zij onder meer heeft gezorgd voor een netwerk van subimporteurs in andere landen;

- het feit dat Wilux met goedvinden van Megius de douchecabines van laatstgenoemde onder eigen naam op de markt bracht;

- de vaste praktijk waarbij Megius, indien zij rechtstreeks werd benaderd door een potentiële klant uit enig Europees land buiten Italië en Frankrijk, de betrokkene steeds verwees naar Wilux, via welke vennootschap de bestellingen konden worden geplaatst;

- en de inhoud van voorlichtingsmateriaal van Megius zelf waarop de naam van Wilux (of van een aan deze partij gelieerde vennootschap) was vermeld, kennelijk als haar wederverkoop in Nederland en in bedoelde andere Europese landen.'

Grief V

De president overweegt dat:

'In de onderhavige relatie is de opzegging geschied met vrijwel onmiddellijke ingang. Dit was dus onrechtmatig, tenzij geoordeeld zou moeten worden dat de door Megius opgegeven grond voor de beëindiging van de relatie, te weten het betalingsgedrag van Wilux, een voldoende grond voor de beëindiging met onmiddellijke ingang opleverde.'

waarna de president ten onrechte aanneemt dat er geen omstan digheden zijn die een directe opzegging van de overeenkomst zouden kunnen rechtvaardigen.

Grief VI (in de memorie van grieven niet genummerd)

Ten onrechte overweegt de president onder de vaststaande feiten sub 2.i:

'kort na 10 januari 1992 heeft Megius aan de klanten van Wilux medegedeeld dat zij niet langer aan Wilux mogen betalen, maar dat zij rechtstreeks aan haar, Megius, dienden te betalen.'

In het incidenteel appèl

Ten onrechte heeft de president Wilux' vordering afgewezen Megius te bevelen de conservatoire beslagen voorzover die in het buitenland zijn gelegd op te heffen, in het bijzonder het onder Hassel & Teudt, gevestigd te Roskilde, Denemarken, geleg de conservatoire derdenbeslag.

3. Uitgangspunt

3.1 De tweede overweging van de president is, behoudens het geen daarin onder i. is overwogen, in hoger beroep niet bestre den zodat ook het hof zal uitgaan van de daarin onder a. tot en met h. en onder j. tot en met r. vermelde feiten.

3.2 Megius betwist in haar zesde grief dat zij aan 'de klan ten' van Wilux zou hebben medegedeeld dat zij niet langer aan Wilux mochten betalen, doch dat zij rechtstreeks aan Megius dienden te betalen, zoals de president onder 2 sub i vaststelt. Volgens haar betrof het slechts twee klanten. Volgens Wilux betrof het in ieder geval vier klanten.

Het hof zal de omstreden vaststelling aldus lezen dat de woor den 'de klanten' worden vervangen door 'enige klanten'.

4. Beoordeling

4.1 Nu Megius zich niet op de bij de wet voorziene wijze tegen de vermeerdering van de eis verzet heeft, zal het hof op de vermeerderde eis van Wilux recht doen.

In het principaal appèl

4.2 De eerste grief strekt, blijkens de daarop gegeven toelichting, ten betoge dat toepassing van het bepaalde in artikel 21 EEX ertoe moet leiden dat de Nederlandse rechter onbevoegd is van het geschil kennis te nemen.

4.3 De bij de rechtbank in Padua aanhangige bodemprocedure betreft, aldus Megius, met name voorzover het de vraag betreft of er een exclusiviteitsovereenkomst tussen partijen bestaat, hetzelfde onderwerp en berust op dezelfde oorzaak als de onder havige vordering in kort geding terwijl tevens vaststaat dat de procedure in Padua eerder aanhangig gemaakt is dan dit kort geding.

De uitzonderingsmogelijkheid van artikel 24 EEX kan toch niet tot gevolg hebben dat er inhoudelijk wordt ingegaan op een vordering die al in een bodemprocedure aanhangig is, aldus nog steeds Megius, die bevreesd is dat de bodemrechter beïnvloed kan worden indien in kort geding beslist zou worden dat er van een exclusiviteitsovereenkomst sprake is.

4.4 Dit betoog gaat niet op. Artikel 24 EEX schept in zoverre een apart bevoegdheidsregime dat, zelfs als een gerecht van een andere verdragsstaat de bevoegde bodemrechter is, niettemin - voorzover het het treffen van voorlopige voorzieningen betreft -, de (kort geding-)rechter in een andere verdragsstaat aan zijn eigen nationale recht bevoegdheid kan ontlenen.

Dat de kort geding-rechter inhoudelijk zal ingaan op een vorde ring die al in een bodemgeding aanhangig is, staat daaraan niet in de weg. Megius lijkt over het hoofd te zien dat de rechter in kort geding slechts een voorlopig oordeel geeft en slechts voorlopige voorzieningen treft en dat de bodemrechter daaraan geenszins gebonden is.

4.5 Het voorgaande betekent dat deze grief faalt.

4.6 Met haar tweede grief betoogt Megius dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat de door Wilux gestelde rechtsverhouding zulke nauwe banden met Nederland heeft, dat - naar Nederlands internationaal privaatrecht - Nederlands recht van toepassing is.

Zij licht deze stelling toe door er op te wijzen dat de afleve ring van de douchecabines steeds in Italië heeft plaatsgevonden terwijl de enige verplichting voor Wilux, in haar relatie met Megius, was zorg te dragen voor de betaling van de koopprijs. De enkele verplichting tot betaling in Nederland leidt naar Nederlands internationaal privaatrecht niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter, aldus Megius, die voorts aanvoert dat der partijen rechtsverhouding door het Weens Koopverdrag be heerst wordt.

4.7 De president heeft terecht geoordeeld dat het Weens Koop verdrag in casu toepassing mist daar het geen regels inhoudt met betrekking tot een exclusiviteitsovereenkomst als waarop Wilux haar vordering baseert.

Dit verdrag zou wellicht, het zij ten overvloede en met voor bijgaan van eventuele problemen van overgangsrecht overwogen, van toepassing zijn indien het geschil van partijen één (of meer) van de individuele koopovereenkomsten zou betreffen die ter uitvoering van de 'kaderovereenkomst' gesloten werden, maar daarvan is geen sprake nu het geschil de gestelde kaderovereen komst zelf betreft.

4.8 Ook voor het overige is het in deze grief door Megius ingenomen standpunt niet juist.

Terecht betoogt Wilux, onder verwijzing naar enige uitspraken van de Hoge Raad, dat bij een kaderovereenkomst als de onderha vige, bij gebreke van rechtskeuze, het interne recht van het land waar de distributeur gevestigd is, toepasselijk is. De kenmerkende prestatie uit hoofde van de gestelde overeenkomst van partijen is immers het door Wilux in het verkeer brengen van door Megius vervaardigde producten.
Dat de overeenkomst nauwere banden met een ander land heeft, bijvoorbeeld omdat dáár verkoopactiviteiten plaatsvinden, blijkt in het geheel niet; Wilux verricht haar verkoopactivi teiten in verschillende landen.

4.9 Derhalve treft ook deze grief geen doel.

4.10In haar derde grief verwijt Megius de president dat deze - indien al Nederlands recht zou moeten worden toegepast; dat dit recht van toepassing is besliste het hof reeds bij de bespreking van de voorgaande grieven - geoordeeld heeft dat het niet onredelijk was dat Wilux haar bereidheid om het verschuldigde bedrag aan Megius te voldoen, afhankelijk gesteld heeft van zekere door Megius niet gegeven - garanties betreffende het voortduren van de exclusiviteitsovereenkomst.

4.11Bij de beoordeling van deze grief gaat het hof uit van de volgende feiten:

a) begin januari 1992 had Megius een door Wilux erkende vordering op deze van Lit 844.520.296,-;

b) bij brief van 5 januari 1992 heeft Megius aan Wilux bericht dat zij niet bereid was verder douchecabines aan haar te leveren zolang de openstaande facturen tot het zojuist genoemde bedrag niet betaald waren;

c) bij brief van 20 januari 1992 heeft de Italiaanse advocaat van Megius een zelfde mededeling aan Wilux gedaan; hij heeft Wilux daarbij een termijn van acht dagen gegeven om alsnog aan haar betalingsverplichting te voldoen;

d) Wilux heeft op deze brief geantwoord bij haar brief van 23 januari 1992. In deze brief komt de passage voor: 'Wilux has never claimed that we are not going to pay the open invoices of Megius. During week 2 (06 - 10 Jan.) of 1992, persons authori sed to make payment in our company were absent from office. Megius was, however, promised that payment will be made in the following week.' Verder verzocht Wilux in deze brief om een bijeenkomst waarbij zij een 'instrument of payment' zou mee brengen om aan Megius ter hand te stellen;

e) die bespreking heeft op 29 januari 1992 in München plaatsgevonden. Partijen hebben toen geen overeenstemming bereikt over de hen verdeeld houdende geschillen. Wilux heeft toen de vordering van Megius niet voldaan.

f) bij brief van 30 januari 1992 heeft de toenmalige raadsman van Wilux aan de raadsman van Megius onder meer bericht hetgeen de president in overweging 2, sub m van het vonnis heeft weer gegeven.

4.12Tevens zal het hof er voorlopig - dat wil zeggen in afwachting van de bespreking van de vierde grief - veronderstellenderwijs van uitgaan dat de door Wilux gestelde, maar door Megius betwiste exclusieve wederverkoopovereenkomst tussen partijen bestond.

4.13Voor de goede orde en alle duidelijkheid stelt het hof thans het volgende voorop:

A. de president heeft in zijn overweging 4.7 geoordeeld dat de opzegging van die overeenkomst met vrijwel onmiddellijke ingang onrechtmatig was tenzij de door Megius opgegeven grond voor die beëindiging, te weten het betalingsgedrag van Wilux een voldoende grond voor een zodanige beëindiging opleverde.

B. tevens heeft de president, in zijn overweging 4.8, geoordeeld dat, kort weergegeven, mede gezien de feitelijk door partijen gehanteerde betalingstermijnen van 20 tot 40 dagen, en soms zelfs 60 dagen, de in het begin van januari 1992 bestaande betalingsachterstand geen dringende of gewichtige reden was tot beëindiging met (vrijwel) onmiddellijke ingang van der partijen overeenkomst.

4.14 Waar deze overwegingen in appèl niet zijn bestreden, dienen zij het hof tot uitgangspunt.

4.15 Het debat in het kader van de derde grief beperkt zich derhalve tot de, overigens ook door de president gestelde vraag of Wilux in de tweede helft van januari 1992, toen haar duide lijk was geworden dat Megius in de betalingsachterstand een ernstig obstakel zag voor de voortzetting van de relatie, haar bereidheid om de schuld aan Megius te voldoen afhankelijk mocht stellen van zekere, door Megius te geven garanties betreffende het voortduren van de exclusieve relatie die volgens Wilux tussen partijen bestond.

De president baseert zijn bevestigende beantwoording van die vraag op de omstandigheid dat Megius al aanstonds de voortzet ting van die relatie tot inzet van het debat maakte en op de door hem (en veronderstellenderwijs door het hof) aannemelijk geachte werkelijke rechtsverhouding van partijen, een en ander gezien tegen de achtergrond van het, ook voor Megius kenbare, evidente belang van Wilux bij voortzetting van de relatie.

4.16 Ook al moge het zo zijn dat Megius reeds jarenlang (al dan niet stilzwijgend) heeft geaccepteerd dat Wilux de contractuele betalingstermijn regelmatig en aanzienlijk overschreden had, dat ontnam haar niet het recht - Wilux stelt dat overigens ook niet - om in januari 1992, gezien de zeer grote en vaststaande schuld die Wilux toen aan haar had, betaling daarvan te eisen op straffe van opschorting van verdere leveranties.

Zij heeft Wilux voor de gevolgen van het uitblijven van betaling gewaarschuwd bij de in rechtsoverweging 4.11 onder b en c genoemde brieven en haar nog een betalingstermijn van acht dagen gegund.

4.17 Uit het in rechtsoverweging 4.11 onder d genoemde antwoord van Wilux valt in de eerste plaats af te leiden - zie de geciteerde passage - dat Wilux aan Megius reeds had toegezegd in week 3 van 1992 te zullen betalen en, voorts, dat Wilux op de door haar voorgestelde bijeenkomst zou betalen.

4.18 Zeker tegen deze achtergrond is het, minstgenomen, de vraag of Wilux op die bijeenkomst de nakoming van haar betalingsverplichting afhankelijk mocht stellen van een erkenning door Wilux - en een toekomstig handelen conform die erkenning; zie ook de in rechtsoverweging 4.11 sub f genoemde brief van Wilux toenmalige raadsman - dat de rechtsverhouding tussen partijen in de door Wilux gewenste zin gekwalificeerd moest worden.

Nu het om een zeer aanzienlijke schuld ging en Wilux de ver schuldigdheid daarvan erkende, is er een gerede kans dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het Wilux niet vrijstond om betaling te weigeren op de grond dat Megius de volgens Wilux bestaande rechtsverhouding niet wenste te conti nueren en dat die rechter zal oordelen dat Megius gerechtigd was de relatie van partijen met onmiddellijke ingang te beëin digen. Noch het feit dat het hof (veronderstellenderwijs) mét Wilux aanneemt dat sprake was van de door Wilux gestelde kaderovereenkomst, noch het aannemelijk te achten en ook voor Megius kenbare evidente belang van Wilux bij voortzetting van der partijen relatie, leiden tot een ander oordeel.

Het had naar 's hofs voorlopig oordeel niet alleen voor de hand maar ook op de weg van Wilux gelegen om de door haar erkende grote schuld te voldoen en vervolgens, bijvoorbeeld door middel van een voorziening in kort geding, nakoming te vorderen van de overeenkomst zoals die volgens haar tussen partijen bestond.

4.19 Gelet op de onzeker te achten uitkomst van het bodemge ding, is er voor het treffen van voorzieningen zoals door de president in zijn dictum onder 5.1 en 5.2 geformuleerd, geen plaats.

De grief wordt mitsdien terecht voorgedragen.

4.20 Dat betekent dat ook de vijfde grief, die, blijkens de toelichting, er over klaagt dat de president heeft aangenomen dat er geen omstandigheden waren die een directe opzegging van de overeenkomst zouden kunnen rechtvaardigen, opgaat.

4.21 Het beroepen vonnis kan op dit punt niet in stand blijven en de desbetreffende voorzieningen zullen alsnog geweigerd moeten worden.

4.22 Waar blijkens het vooroverwogene de zojuist genoemde voorzieningen, óók indien veronderstellenderwijs wordt uitge gaan van de door Wilux gestelde en door Megius betwiste exclusiviteitsovereenkomst, niet in stand kunnen blijven, heeft Megius (in ieder geval in dit kort geding) geen belang meer bij een antwoord op de, door de vierde grief aan de orde gestelde vraag =f tussen partijen van een dergelijke overeenkomst sprake was. Die grief kan dan ook buiten bespreking blijven.

4.23 Voor de goede orde zij overwogen dat Megius tegen het door de president onder 5.3 van zijn dictum aan haar gegeven bevel geen grief(ven) gericht heeft, zodat dit deel van het vonnis zich aan 's hofs oordeel onttrekt.

In het incidenteel appèl

4.24 In het midden kan blijven - partijen twisten daarover - of de Nederlandse rechter Megius kan bevelen om de buiten Nederland ten laste van Wilux gelegde conservatoire beslagen op te heffen, zoals Wilux alsnog door middel van haar grief in dit appèl wil bereiken, nu het hof deze voorziening in ieder geval zou weigeren.

Vaststaat immers dat Wilux nog steeds niet haar eerder genoemde en vaststaande betalingsverplichting jegens Megius is nagekomen zodat summierlijk van het vorderingsrecht van laatstgenoemde is gebleken.

4.25 De grief gaat dus niet op. Het beroep moet verworpen worden.

4.26 Reeds op de grond dat het dictum sub 5.1 van de president vernietigd wordt met weigering alsnog van die voorziening, komt - uiteraard - de bij wege van vermeerdering van eis gevraagde verhoging van de dwangsom niet meer aan de orde.

In het principaal appèl voorts

4.27 Ook de bij pleidooi in hoger beroep door Megius nog opgeworpen stelling dat Wilux geen belang (meer) heeft bij de omstreden voorzieningen, kan onbesproken blijven.

4.28 Gelet op de beslissing van het hof dient Megius, wat de eerste aanleg betreft, te gelden als de in conventie voor het overgrote deel in het gelijk gestelde partij zodat de kosten van de conventie ten laste van Wilux moeten komen.

Aangezien de president de kosten van de conventie en de (niet aan 's hofs oordeel onderworpen) reconventie tezamen begroot en ten laste van Megius gebracht heeft, dient het hof die kosten te splitsen.

Het hof stelt de kosten van de conventie, voorzover aan de zijde van Megius gevallen, vast op 1.500,- zodat de rest van het door de president begrote bedrag de (ten laste van Megius blijvende) aan de zijde van Wilux in reconventie gevallen kosten betreft.

Wilux dient voorts verwezen te worden in de kosten van dit appèl.

In het incidenteel appèl voorts

4.29 Wilux dient verwezen te worden in de kosten van dit appèl.

5. Beslissing

Het hof:

In het principaal appèl

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover aan 's hofs oordeel onderworpen, dat wil zeggen voorzover het de dicta sub 5.1, 5.2 en 5.5 betreft, dit laatste echter slechts voorzover het de conventie betreft.

En in zoverre opnieuw rechtdoende:

Weigert alsnog de desbetreffende voorzieningen.

Weigert het in hoger beroep meer of anders gevraagde.

Veroordeelt Wilux in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie [...].

Veroordeelt Wilux voorts in de op dit hoger beroep gevallen kosten [...].

In het incidenteel appèl

Verwerpt het beroep.

Veroordeelt Wilux in de op dit hoger beroep gevallen kosten [...].