Keywords
Abstract
FullText
Sources
Print
Close
FullText
Date: 19.06.2009
Country: Belgium
Number: C.07.0289.N
Court: Court of Cassation of Belgium
Parties: Scafom International BV vs Lorraine Tubes s.a.s.
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/1
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. C.07.0289.N
SCAFOM INTERNATIONAL BV, vennootschap naar Nederlands recht, met
zetel te 6021 PZ Budel (Nederland), Industriezone, De Kempen 5,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,
met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats
kiest,
tegen
LORRAINE TUBES S.A.S., vennootschap naar Frans recht, met zetel te F-54720
Lexy (Frankrijk), route de Rebon,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met
kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats
kiest.
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/2
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 29 juni 2006 en 15 februari
2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. FEITEN
Uit de bestreden arresten blijkt het volgende:
- de eiseres sloot met de SA Exma, rechtsvoorganger van de verweerster
(verkoper), een aantal koopovereenkomsten betreffende de levering van stalen
buizen.
- nadat deze overeenkomsten waren gesloten, is de prijs van het staal
onvoorzienbaar gestegen met 70 pct.
- in de overeenkomsten was geen clausule van prijsaanpassing bedongen.
III. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 4, 7.1 en 2, 23, 29.1, 53 tot en met 60, 71 en 79 van het Verdrag van 11
april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken,
gedaan te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4 september 1996.
Aangevochten beslissingen
Na in het bestreden tussenarrest van 29 juni 2006 reeds geoordeeld te hebben dat de
eerste rechter de feitelijke situatie, waarin Exma was terechtgekomen en de gevolgen die
zij daaraan wenst te geven, terecht had omschreven als een toepassing van de
imprevisieleer en dat de CISG de toestand die omschreven werd met de imprevisieleer
niet regelt, doch onterecht de toepassing van een prijsherziening op grond van de
zogenaamde imprevisieleer had uitgesloten op grond van de loutere vaststelling dat dit
niet geregeld is in het CISG en zonder te onderzoeken welk recht toepasselijk was
krachtens de regels van internationaal privaatrecht en of dit toepasselijke recht de
prijsherziening uitsloot, waarop het de debatten heropent teneinde partijen toe te laten
standpunt in te nemen over het ter zake toepasselijke recht, beslist het hof van beroep bij
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/3
het bestreden eindarrest van 15 februari 2007 dat er toepassing moest worden gemaakt
van het Franse recht, dat de imprevisieleer als autonome bron niet kent, doch wel een
beroep op de goede trouw toelaat om opnieuw te onderhandelen en verklaart daarop
eiseres’ hoger beroep ongegrond en verweersters incidenteel beroep deels gegrond,
wijzigt binnen de perken van het hoger beroep het bestreden vonnis, verklaart de
vorderingen van de eiseres ongegrond, verklaart eveneens binnen de perken van de beroepen
de tegenvordering van de verweerster gegrond en veroordeelt de eiseres tot
betaling van 450.000 euro, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke
rentevoet vanaf 11 oktober 2004 en tot de gerechtelijke intresten, en bevestigt het
bestreden vonnis in zoverre de eiseres werd veroordeeld tot betaling van 912,46 euro, te
vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 11 oktober 2004.
Voornoemd tussenarrest was meer bepaald op volgende overwegingen gestoeld:
“6. De eerste rechter heeft terecht de feitelijke situatie waarin (de verweerster) ingevolge
de prijsstijgingen is terecht gekomen en de gevolgen die zij daaraan wenst te geven (eis
tot aanpassing van de overeengekomen prijzen) omschreven als een toepassing van de
imprevisieleer.
Het hof (van beroep) treedt de motieven van de eerste rechter ook met betrekking tot deze
beoordeling bij.
7. De eerste rechter heeft terecht vastgesteld dat het CISG de toestand die omschreven
wordt met de imprevisieleer niet regelt.
8. Krachtens artikel 7.2 van CISG moeten vragen betreffende onderwerpen die niet
uitdrukkelijk beslist worden door de bepalingen van het verdrag worden opgelost aan de
hand van de algemene beginselen waarop het verdrag berust of bij ontstentenis van
zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal
privaatrecht toepasselijke recht.
9. De eerste rechter heeft niet vastgesteld dat één van de algemene beginselen waarop het
CISG rust de uitsluiting van de imprevisieleer impliceert.
Uit de motieven die hij gebruikt om de toepassing van artikel 79 van het verdrag uit te
sluiten in huidig geval kan het bestaan van dergelijk beginsel niet worden afgeleid.
Geen der bepalingen van het CISG lijkt de mogelijkheid voor één van de partijen om zich
op de imprevisieleer te beroepen uit te sluiten. Integendeel merkt de eerste rechter terecht
op dat de contractspartijen geheel in overeenstemming met het verdrag de mogelijkheid
hadden kunnen bedingen tot prijsaanpassingen in overeenstemming met de evolutie van
de marktprijzen betreffende de grondstoffen waarvan de verkochte goederen (te dezen
stalen buizen bestemd voor stellingenbouw) gemaakt werden. Dergelijk beding strijdt niet
met de bepalingen van het verdrag of met de beginselen waarop dit steunt.
De uitdrukkelijke regeling in het verdrag van bevrijdende situaties van overmacht houdt
niet in dat het verdrag de mogelijkheid van prijsherziening omwille van onvoorziene
veranderde marktsituaties uitsluit. Situaties van overmacht verschillen immers essentieel
van situaties van onvoorziene gewijzigde marktomstandigheden zodat uit de
uitdrukkelijke regeling in het verdrag van de overmacht niet kan afgeleid worden dat het
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/4
verdrag de mogelijkheid tot prijsherziening op grond van de imprevisieleer uitsluit als
strijdig met de beginselen waarop het verdrag rust.
De eerste rechter heeft dan ook onterecht de toepassing van een prijsherziening op grond
van de zogenaamde imprevisieleer uitgesloten op grond van de loutere vaststelling dat dit
niet geregeld is in het CISG en zonder te onderzoeken welk recht toepasselijk was
krachtens de regels van internationaal privaatrecht en of dit toepasselijke recht de
prijsherziening uitsloot.
Weliswaar verwijst de eerste rechter op p. 11 van het vonnis naar het Belgische recht
inzake de imprevisieleer maar vermeldt uitdrukkelijk dat dit slechts gebeurt ‘ter
vergelijking en illustratie’.
10. Partijen hebben slechts zijdelings verwezen naar nationaal recht en dit uitsluitend
met betrekking tot de toepasselijkheid van de algemene verkoopsvoorwaarden.
Over de toepasselijkheid van nationaal recht overeenkomstig artikel 7.2, CISG met
betrekking tot de mogelijkheid van prijsherziening in het kader van de zogenaamde
imprevisieleer hebben partijen geen conclusies genomen.
De bepaling van het toepasselijke recht (Frans/Belgisch dan wel Nederlands recht) is
wellicht niet onbelangrijk in het kader van de oplossing van dit geschil.
De debatten worden dan ook heropend om partijen toe te laten desbetreffend standpunt in
te nemen”.
De eerste rechter overwoog onder meer:
“Vaak wordt de uitvoering van een overeenkomst tengevolge van bepaalde
omstandigheden enorm bemoeilijkt, zonder dat er sprake kan zijn van overmacht die de
uitvoering onmogelijk maakt. De vraag rijst dan naar de mogelijkheid voor de partijen of
de rechter om die overeenkomst te wijzigen (imprevisieleer). Deze materie wordt niet
uitdrukkelijk geregeld in artikel 79 CISG, noch in een andere bepaling van het CISG.
Tallon is van oordeel dat de uniforme toepassing van artikel 79 CISG onverenigbaar is
met een toepassing in een verdragstaat van de leer van de gewijzigde omstandigheden.
(M. Claeys, De bijzondere rechtsmiddelen van partijen, in : H. Van Houtte, J. Erauw, P.
Wautelet, ed., Het Weens Koopverdrag, Intersentia, 1997, blz. 264, nr. 7.100)”.
Het eindarrest is gestoeld op volgende overwegingen :
Na eraan herinnerd te hebben dat in het tussenarrest het hof heeft “2) vastgesteld dat het
toepasselijke koopverdrag CISG geen regels bevatte met betrekking tot de prijsherziening
voor onvoorziene abnormale situaties tijdens de uitvoering van de overeenkomst, 3)
geoordeeld dat de eventuele prijsherziening niet strijdig is met de beginselen waarop het
verdrag steunt, 4) beslist dat het geschil overeenkomstig artikel 7.2 CISG moest worden
opgelost aan de hand van de bepalingen van het krachtens de regels van internationaal
privaatrecht toepasselijke recht, 5) de debatten heropend om partijen toe te laten
standpunt in te nemen nopens dit toepasselijke recht” en beslist dat ter zake het Franse
recht van toepassing was, vervolgt het hof van beroep dat:
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/5
“7. (De verweerster) erkent in conclusies dat in het Franse privaatrecht de imprevisieleer
als autonome bron tot aanpassing van contractuele afspraken niet bestaat.
Zij beroept er zich wel op dat naar geldend Frans recht de contractspartijen in het kader
van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomst (artikel 1134 C.C.) gehouden zijn
tot hernegotiatie van de contractsvoorwaarden ingeval zich onvoorzienbare veranderde
economische omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat de verdere uitvoering van de
overeenkomst aan de geldende contractsvoorwaarden niet langer verantwoord is.
8. (De verweerster) verwijst naar de briefwisseling die tussen partijen gevoerd werd
aangaande de gestegen staalprijzen en haar verzoek tot aanpassing van de prijs en de in
dit kader door haar gedane voorstellen. Volgens (de verweerster) heeft (de eiseres) een
contractuele fout begaan door deze voorstellen af te wijzen en de verdere uitvoering van
de overeenkomsten te eisen aan de contractueel bepaalde prijs.
Zij vordert betaling van de door haar voorgestelde prijs als vergoeding voor de door deze
contractuele fout veroorzaakte schade.
9.(De eiseres) ontkent enige contractuele fout te hebben begaan en verwijst naar 1) de
vergadering die tussen de partijen plaats had op 24 maart 2004 en 2) het feit dat een deel
van de te leveren producten zich reeds in stock bevonden.
10. De omstandigheid dat (de verweerster) reeds een deel van de te leveren goederen had
aangekocht en in voorraad had op het ogenblik dat de prijsstijging zich ten volle
manifesteerde, kan slechts ten dele door (de eiseres) worden ingeroepen als
verantwoording van de weigering tot prijsherziening. De economische realiteit en goed
handelaarschap vereisen immers dat rekening wordt gehouden met de geldende
marktprijzen aangezien het aan deze prijzen is dat de handelaar zijn voorraad zal moeten
aanvullen. De betaalde inkoopprijs is slechts één factor voor de bepaling van de
verkoopprijs.
11. Uit de overgelegde stukken blijkt dat vanaf 18 maart 2004 (de verweerster) (de
eiseres) gewezen heeft op de plotse en onvoorzienbare stijging van de staalprijzen
‘waardoor zij gedwongen werd de prijzen te herzien’. Aan deze fax voegde zij de
prijslijsten toe ‘voor leveringen voor de periode van 1 tot 30 april 2004’.
In de volgende fax, daterend van 23 maart 2004, verwijst (de verweerster) naar een
telefonisch onderhoud en geeft per bestelling de nieuwe prijs op. Zij vraagt het akkoord
van (de eiseres) met de nieuwe prijzen en voegt eraan toe in ontkennend geval de
bestelling in kwestie te zullen afboeken.
Vervolgens heeft er een vergadering plaats gehad tussen partijen waarnaar verwezen
wordt in de brief van (de verweerster) dd. 25 maart 2004. Daarin worden nogmaals de
onvoorzienbare prijsstijgingen op de staalmarkt te berde gebracht en herhaalt (de
verweerster) de noodzaak om tot prijsherziening over te gaan voor de leveringen in april
2004 volgens een bijgevoegde prijslijst.
12. Het staat vast dat geen akkoord tussen partijen werd bereikt om reden dat (de eiseres)
elke prijsherziening heeft afgewezen. Dit wordt bevestigd in de brief van de raadsman
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/6
van (de eiseres) dd. 29 maart 2004 waarin wordt aangemaand de overeenkomst uit te
voeren zoals die werd afgesloten met de daaraan verbonden dreiging te zullen
dagvaarden voor de kortgedingrechter ten einde de gedwongen uitvoering van de
overeenkomst af te dwingen.
Deze kortgedingprocedure werd ook gevoerd.
(De verweerster) werd bij beschikking van 27 april 2004 veroordeeld tot verdere
leveringen tegen betaling van de overeengekomen prijs en tegen consignatie van de helft
van de gevraagde meerprijs.
13. Uit het voorwerp van de vordering van (de eiseres) volgt dat haar houding ten
overstaan van de prijsherziening onveranderd is gebleven.
14. Volgens geldend Frans recht vereist de goede trouw waarmee overeenkomsten
moeten worden uitgevoerd de verplichting in hoofde van de medecontractant tot
heronderhandeling van de contractsvoorwaarden in bepaalde gevallen.
Dit is onder meer het geval indien na de contractssluiting zich onvoorzienbare
omstandigheden voordoen die een ernstig onevenwicht doen ontstaan tussen de
wederzijdse verbintenissen dermate dat de verdere uitvoering van de overeenkomst voor
één van de partijen buitengewoon nadelig wordt.
15. Volgens de niet weersproken toelichtingen van (de verweerster) waren de prijzen van
HRC-staal tot 70 pct. gestegen in de periode na de contractssluiting. Deze
onvoorzienbare prijsstijging voldoet om hogervermelde motieven aan de vereisten om de
verplichting tot heronderhandeling van de contractsvoorwaarden vast te stellen in hoofde
van (de eiseres).
16. Volgens de evenmin weersproken toelichting van (de verweerster) bedroeg de
voorgestelde prijsverhoging gemiddeld 47,99 pct.
Hoewel de hoger geciteerde brieven uitgaande van (de verweerster) formeel geen
mogelijkheid tot onderhandeling voorzagen (er werd slechts de keuze gelaten tussen
aanvaarding van de prijsherziening of de annulatie) blijkt dat een vergadering met
betrekking tot de gestelde problematiek is gehouden in de kantoren van (de eiseres) op 24
maart 2004.
Uit het standvastig ingenomen standpunt van (de eiseres) zoals dat uit de stukken blijkt,
volgt dat zij elke prijsherziening heeft uitgesloten (zij blijkt ook op geen enkel ogenblik
een tegenvoorstel te hebben gedaan) en zij (de verweerster) zonder meer heeft willen
houden aan de naleving van de bestaande contractuele bepalingen, onderstreept door een
procedure in kort geding.
Dit maakt een inbreuk uit op de goede trouw waarmee de overeenkomsten moeten worden
uigevoerd.
De contractuele fout in hoofde van (de eiseres) is derhalve bewezen.
17. Uit voorgaande motieven vloeit ook voort dat (de verweerster) niet foutief heeft
gehandeld door te weigeren nog leveringen te doen zonder een redelijke aanpassing van
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/7
de prijs. Zij heeft aan (de eiseres) de kans geboden tot hernegotiatie en het is slechts aan
de fout van (de eiseres) te wijten dat (de verweerster) gestopt is met leveringen.
18. (De verweerster) werd verplicht verdere leveringen te doen volgens de modaliteiten
vermeld in de beschikking in kort geding.
Zij had nochtans ondubbelzinnig te kennen gegeven dit niet meer te willen doen tenzij de
prijs werd aangepast. Zij heeft een prijs voorgesteld tegen dewelke zij bereid was verder
te leveren in de maand april 2004.
Rekening houdend met de concrete marktsituaties zoals die geschetst werden was het
voorstel van (de verweerster) niet onredelijk en een ernstige basis voor
heronderhandeling.
Zij bewijst zodoende schade te hebben geleden. Deze schade kan niet cijfermatig juist
worden begroot ingevolge de onzekerheid aangaande het uiteindelijk resultaat van een
heronderhandeling.
Rekening houdend met de hiervoor uiteen gezette feitelijke elementen wordt de schade in
billijkheid geraamd op 450.000,00 euro buiten en boven de prijs die zij reeds ontving.
Daartoe kan het reeds in uitvoering van de beschikking in kort geding geconsigneerde
bedrag van 332.576,05 euro worden aangewend. Desgevallend dienen ook andere reeds
betaalde bedragen in mindering te worden gebracht (waaraan (de verweerster)
refereert).
19. Uit voormelde motieven volgt dat de vordering van (de eiseres) tot uitvoering van
meerdere leveringen ongegrond is.
Het hoger beroep is om die redenen ongegrond.
20. Om dezelfde motieven is het incidenteel beroep deels gegrond.
De vordering tot betaling van een meerprijs is gegrond voor een bedrag van
450.000,00 euro.
Vermits het gaat om een schadevergoeding zijn hierop de intresten verschuldigd aan de
wettelijke rentevoet vanaf 11 oktober 2004, datum waarop alle bijkomende leveringen
ingevolge uitvoering van de beschikking in kort geding gerealiseerd waren
(syntheseconclusie (de verweerster) onder nr. 17) en de datum die (de verweerster) zelf
vooropstelt.
21. Er is geen contractuele fout aangetoond in hoofde van (de verweerster) zodat de
vorderingen van (de eiseres) en Orion tot het bekomen van schadevergoeding ongegrond
zijn.”
Grieven
Naar luid van artikel 4 van het Verdrag van 11 april 1980 inzake internationale
koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 en
goedgekeurd bij wet van 4 september 1996, regelt dit verdrag uitdrukkelijk de
totstandkoming van koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen van verkoper en
koper die voortvloeien uit een zodanige overeenkomst.
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/8
In artikel 7.1 van dit verdrag wordt gepreciseerd dat bij de uitleg van dit verdrag
rekening dient te worden gehouden met het internationale karakter ervan en met de
noodzaak eenvormigheid in de toepassing ervan en naleving van de goede trouw in de
internationale handel te bevorderen.
Artikel 7.2 stelt voorts dat vragen betreffende de door dit verdrag geregelde
onderwerpen, die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de hand van
de algemene beginselen waarop dit verdrag berust, of bij ontstentenis van zodanige
beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van internationaal
privaatrecht toepasselijke recht.
Uit deze bepalingen volgt duidelijk dat het de betrachting van de auteurs van het verdrag
van Wenen was om tot een eenvormige regeling te komen aangaande de totstandkoming
van de door het verdrag geviseerde koopovereenkomsten en de rechten en verplichtingen
van koper en verkoper, voortvloeiend uit een dergelijke overeenkomst, hetgeen impliceert
dat voorrang moet worden gegeven aan een uitlegging die deze eenvormigheid in de hand
werkt.
Blijkens artikel 23 van het Verdrag van Wenen komt een overeenkomst tot stand op het
tijdstip waarop een aanvaarding van een aanbod van kracht wordt in overeenstemming
met het bepaalde in dit verdrag.
Vanaf voornoemd ogenblik is ieder der partijen gehouden tot uitvoering van hetgeen
tussen hen werd overeengekomen, zonder dat de ene partij vermag aan de andere partij
eenzijdig een wijziging van de contractvoorwaarden op te leggen. Dat volgt a contrario
uit artikel 29.1 van het Weens Koopverdrag, dat uitdrukkelijk bepaalt dat een
overeenkomst kan worden gewijzigd of beëindigd door de enkele wilsovereenstemming
tussen de partijen en houdt de bevestiging in van de regel dat de overeenkomst partijen
tot wet strekt.
Aldus volgt uit het verdrag dat de koper als verplichting heeft de betaling van de
koopprijs (artikelen 53 tot en met 59 van het verdrag) en de in ontvangstneming van de
zaken (artikelen 53 en 60).
Met betrekking tot de prijs wordt aldus in artikel 55 van het verdrag uitdrukkelijk
bepaald dat wanneer de koop rechtsgeldig is gesloten zonder dat de overeenkomst
uitdrukkelijk of stilzwijgend de prijs bepaalt of in de wijze van bepaling daarvan voorziet,
de partijen geacht worden, tenzij het tegendeel blijkt, zich stilzwijgend te hebben
gehouden aan de prijs die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor zodanige
onder vergelijkbare omstandigheden verkochte zaken gewoonlijk wordt bedongen in de
betrokken branche.
Deze bepaling bevestigt dat de prijs deze is bepaald of geldend op het tijdstip van het
sluiten van de overeenkomst. Er kan van de koper niet worden geëist om tot hernegotiatie
van de prijs over te gaan, noch om een herziening van de prijs te aanvaarden.
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/9
Het verdrag bepaalt voorts de omstandigheden waarin een partij niet kan worden
verweten aan haar verplichtingen te zijn tekortgekomen.
Aldus blijkt uit artikel 71.1 van het Weens Koopverdrag dat een partij de nakoming van
haar verplichtingen enkel mag opschorten, indien na het sluiten van de overeenkomst
blijkt dat de andere partij een wezenlijk deel van haar verplichtingen niet zal nakomen
ten gevolge van:
a) een ernstig tekortschieten van haar vermogen dat deel van haar verplichtingen na te
komen of van haar kredietwaardigheid,
b) haar gedrag bij de voorbereiding van de nakoming van de ingevolge de overeenkomst
op haar rustende verplichtingen dan wel bij de nakoming.
Uit artikel 79.1 van het Weens Koopverdrag blijkt dat een partij niet aansprakelijk is
voor een tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtingen indien zij
aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar
macht lag en dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten
van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze
of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen.
In artikel 79.2 wordt voorts bepaald dat indien de tekortkoming van de partij te wijten is
aan een tekortkoming van een derde die door haar is belast met de uitvoering van de
gehele overeenkomst of een gedeelte hiervan, die partij slechts van haar
aansprakelijkheid wordt bevrijd indien zij krachtens artikel 79.1 hiervan wordt bevrijd en
de derde bevrijd zou zijn indien het bepaalde in dat lid op hem van toepassing zou zijn.
In artikel 79.3 wordt gepreciseerd dat de bevrijding slechts geldt voor het tijdvak
gedurende hetwelk de vermindering bestaat.
A contrario volgt uit deze bepaling, die op restrictieve wijze de bevrijdingsgronden
preciseert, dat andere gronden, zoals de imprevisieleer of de weigering van de
wederpartij om een wijziging van de oorspronkelijk overeengekomen
contractvoorwaarden te aanvaarden omwille van gewijzigde omstandigheden, door het
verdrag worden uitgesloten.
De eenvormige regeling, die blijkens artikel 7.1, door het verdrag werd nagestreefd,
verzet er zich bovendien tegen dat hiervan bij wege van het nationale recht zou worden
afgeweken.
Een partij zal derhalve slechts dan haar verbintenissen op niet foutieve wijze niet
nakomen wanneer, hetzij de wederpartij zich zelf schuldig maakt aan de niet-nakoming
van een wezenlijk deel van haar verplichtingen, zoals deze uit het verdrag volgen, hetzij
zijzelf zich kan beroepen op een bevrijdingsgrond, zoals omschreven in artikel 79 van het
verdrag.
Besluit
Waar het hof van beroep in het bestreden tussenarrest oordeelt dat geen der bepalingen
van het Weens Koopverdrag de mogelijkheid voor één van de partijen om zich op de
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/10
imprevisieleer te beroepen lijkt uit te sluiten, met dien verstande dat ter zake bij
toepassing van artikel 7.2 CISG toepassing dient te worden gemaakt van het nationale
recht dat op de overeenkomst van toepassing is, en in het eindarrest stelt dat de eiseres
bij toepassing van het Franse recht, dat te dezen van toepassing was op de overeenkomst,
tot hernegotiatie van de contractvoorwaarden kon worden verplicht ingeval zich
onvoorzienbare veranderde economische omstandigheden voordeden die ertoe leidden
dat de verdere uitvoering van de overeenkomst aan de geldende contractvoorwaarden
niet langer was verantwoord en aldus het nationale recht laat primeren op het verdrag,
doet het hof van beroep uitspraak in miskenning van artikel 7.1 van het Weens
Koopverdrag, waaruit volgt dat bij de uitlegging van het verdrag de nadruk ligt op de
eenvormigheid en derhalve op het internationale karakter van het verdrag, met dien
verstande dat er slechts een beroep op het nationale recht kan worden gedaan betreffende
vragen die niet uitdrukkelijk zijn geregeld bij het verdrag (schending van artikel 7.1 en 2,
van het Verdrag van 11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende
roerende zaken, gedaan te Wenen op 11 april 1980 en goedgekeurd bij wet van 4
september 1996), miskent het de verbindende kracht van de koopovereenkomst die na de
totstandkoming enkel nog met instemming van beide partijen kan worden gewijzigd
(schending van artikelen 4, 7.1, 23, 29.1 en 55, van voornoemd verdrag), doet het
uitspraak in miskenning van de verplichtingen van de koper zoals die worden bepaald
door het Weens Koopverdrag (schending van artikelen 4, 53 tot en met 60, van
voornoemd verdrag) en vermocht het niet wettig te beslissen dat het verdrag zich niet
verzet tegen de toepassing van de imprevisieleer dan wel tegen een verplichting tot
hernegotiatie van de eerder bedongen prijs, zijnde een verkapte toepassing van
voornoemde imprevisieleer, nu het hof van beroep de weigering om op het aanbod tot
prijsherziening in te gaan zonder meer interpreteert als een contractuele fout in hoofde
van de eiseres die de wederpartij machtigde haar eigen verplichtingen niet meer na te
komen en haar recht gaf op een schadevergoeding die rekening hield met een aanpassing
van de oorspronkelijk overeengekomen prijs (schending van artikelen 7.1, 71 en 79, van
datzelfde verdrag), en kon derhalve niet wettig besluiten tot de toepasselijkheid terzake
van het nationale recht (schending van artikel 7.2 van voornoemd verdrag). Ten slotte
vermocht het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt
dat de eiseres aan een wezenlijk deel van haar verplichtingen zou zijn tekortgekomen,
niet wettig beslissen dat de verweerster niet foutief had gehandeld door te weigeren nog
leveringen te doen zonder een redelijke aanpassing van de prijs (schending van artikel
71.1 van voornoemd verdrag).
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/11
IV. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 79, eerste lid, van het Verdrag der Verenigde Naties van
11 april 1980 inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende
zaken, opgemaakt te Wenen, is een partij niet aansprakelijk voor een
tekortkoming in de nakoming van een van haar verplichtingen, indien zij aantoont
dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar
macht lag en dat van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het
sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden
of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn
gekomen.
Gewijzigde omstandigheden die niet redelijkerwijze voorzienbaar waren bij de
contractssluiting en die onmiskenbaar van aard zijn om de last van de uitvoering
van de overeenkomst op onevenredige wijze te verzwaren, kunnen, onder
omstandigheden, een verhindering uitmaken in de zin van deze verdragsbepaling.
2. Artikel 7.1) bepaalt dat voor de uitleg van dit Verdrag rekening dient te
worden gehouden met het internationale karakter ervan en met de noodzaak
eenvormigheid in de toepassing ervan en naleving van de goede trouw in de
internationale handel te bevorderen.
Artikel 7.2) bepaalt dat vragen betreffende de door dit Verdrag geregelde
onderwerpen, die hierin niet uitdrukkelijk zijn beslist, worden opgelost aan de
hand van de algemene beginselen waarop dit Verdrag berust, of bij ontstentenis
van zodanige beginselen, in overeenstemming met het krachtens de regels van
internationaal privaatrecht toepasselijke recht.
Voor een eenvormige invulling van de leemten moet aldus aansluiting worden
gezocht bij de algemene beginselen die het recht van de internationale handel
beheersen.
Krachtens deze beginselen, zoals onder meer neergelegd in de Unidroit Principles
of International Commercial Contracts, is de contractpartij die een beroep doet op
gewijzigde omstandigheden waardoor het contractuele evenwicht fundamenteel
19 JUNI 2009 C.07.0289.N/12
wordt verstoord, zoals bedoeld in randnummer 1, ook gerechtigd om de
heronderhandeling van de overeenkomst te vorderen.
3. Het arrest stelt vast dat:
- de eiseres met de SA Exma, rechtsvoorganger van de verweerster, een aantal
koopovereenkomsten sloot betreffende de levering van stalen buizen;
- de prijs van het staal na de contractsluiting onvoorzienbaar gestegen is met 70
pct;
- in de overeenkomsten geen clausule van prijsaanpassing was bedongen.
De appelrechters oordelen dat deze onvoorziene prijsstijgingen een ernstig
onevenwicht deden ontstaan waardoor de verdere uitvoering van de overeenkomst
aan onveranderde voorwaarden voor de verweerster buitengewoon nadelig is
geworden.
4. Het arrest vermocht op grond van zijn vaststellingen, zonder schending van
de in het middel aangewezen wetsbepalingen, te beslissen dat op de eiseres de
verplichting rust tot de heronderhandeling van de contractsvoorwaarden.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 833,65 euro jegens de eisende partij en op
de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,
samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als eerste voorzitter,
afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck
en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 19 juni 2009 uitgesproken
door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal
met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.